Marten Toonder



Wist u dat de schrijver Marten Toonder (Rotterdam, 2 mei 1912 - Laren, 27 juli 2005), van de strips van Olie B. Bommel uit Rommeldam, lange tijd in hier, in Rotterdam-West heeft gewoond? En dat dan wel een groot deel van zijn jonge jaren. Dat samen met zijn jongere broer Gerhard Toonder , die net als Marten schrijver was.
En ook Marten's vrouw Phiny Dick heeft hier een tijd gewoond, ze waren buren!
Marten Toonder is geboren in de Thorbeckestraat te Rotterdam. En op zijn tweede verjaardag woonde hij alweer aan de Schiedamse Weg. En snel daarna verhuisde het gezin weer naar de Vliegerstraat.
Vervolgens verhuisde zijn moeder naar Scheveningen, zijn vader voer toen op zee, en is daar gaan wonen in de Rotterdamsestraat no 11, twee minuten verwijderd van zee.
In die jaren 20 en 30 van de vorige eeuw, was het gebruikelijk dat de verhuurder, voordat je introk, het huis opnieuw schilderde en van nieuw behang voorzag. De makelaar was dit maal zeer genereus en stuurde zelfs stalen voor de gordijnen.
Maar in de buurt, waarin ze terecht kwamen, daar voelde ze zich niet thuis. Er woonde veel Poolse Joden, die gevlucht waren voor de pogroms rond 1918 in Polen plaats vonden, en vanuit Nederland naar de Verenigde Staten wilde emigreren.
binnen een jaar keerde de familie alweer terug naar Rotterdam. De vader van Marten vond dat iedere zeeman een thuishaven heeft, maar dat als men kapitein op de grote vaart is, dat nooit Scheveningen kan zijn. Hij regelde vanuit Baltimore een nieuwe bovenwoning in de Van Weelstraat 29. Marten was toen ongeveer 7 jaar.
In zijn biografie zegt Marten dat hij zich nog kan herinneren dat het naar het westen nog weidegebied was. En dat de straat langzaam groeide met heimachines in de buurt. Als je de kaarten van de straat uit 1910 en 1920 op deze site bekijkt, dan zie je wat hij bedoelt.
Ze verhuisde van de Van Weelstraat naar de Adriën Milderstraat 84 en daarna weer naar het Burgemeester Meineszplein 29. En van daaruit liep hij naar de lagere school, de Vierambachtschool. Monument voor Marten Toonder bij de bibliotheek
Hij is, op 11-jarige leeftijd, bijna verdronken in de Heemraadssingel bij het ijsschotsspringen. Hij vertelde er het volgende over:
“Toen ik elf jaar oud was, dacht ik dat de Heemraadssingel het centrum van de stad was. Nu weet ik beter. Ik heb er mijn hele jeugd gelopen om van het Meineszplein op de Nieuwe Binnenweg te geraken waar ik mijn zakgeld kon besteden. En als puber fietste ik er langs om naar mijn school op de Westersingel te gaan – en er woonden vrienden en zelfs een vriendinnetje. Maar komaan; dit zijn allemaal vage jeugdherinneringen, terwijl de Heemraadssingel mij in het geheugen gegrift blijft door een ernstig ongeval dat in januari 1923 plaats vond.
Vroeger waren alle winters koud, overblijfselen van de Kleine IJstijd zijnde. Altijd sneeuw en vorst en schaatsenrijden en ijssiepiepen*. Dit laatste is in onbruik geraakt door de afwezigheid van de ijsschotsen die ontstonden wanneer men de ijsvloer, die de Singel dekte, kapot placht te hakken. Dat deed men om het joelerige schaatsen en het vestigen van koek- en zopiekramen tegen te gaan. De Heemraadssingel was een keurige, rustige buurt voor de betere standen die geen oog hadden voor volksvermaken. Maar wanneer men jong is, vindt men daar wel wat op. We hadden dan ook ontdekt dat het spannend is om op een schotsje te springen, en wanneer dat dreigde om te slaan, bliksemsnel op een volgende te hoppen. Al hossende van het ene schotsje op het andere kan de ervaren pieper zodoende hele afstanden afleggen. Daardoor geeft hij blijk van durf en behendigheid, en onder flinkere jongens is het een gezochte sport om die eigenschappen tot uiting te brengen. Persoonlijk zag ik er niet veel zinnigs in – maar wie wil er nu bang en klungelig lijken, als aankomend man zijnde.
Na het een poosje te hebben aangezien, sprong ik op mijn eerste schotsje, en aangemoedigd door het gejuich van mijn makkertjes op de wal, hipte ik op het laatste moment op het tweede. Dit was wat klein, zodat het onder mijn voeten weggleed terwijl ik op het derde hipte. Helaas, te dicht op de rand. Het misselijke stuk ijs sloeg om en ik gleed te water om te verdwijnen in de Heemraadssingel, die zo verschrikkelijk koud was dat al mijn zintuigen uitgeschakeld werden. Boven mijn hoofd sloot het ijs zich weer zodat het donker werd. Maar door snel bevriezend instinct gedreven, stak ik mijn armen omhoog, waardoor mijn handen de schots een klein eindje omhoog duwden. Zodoende had ik houvast aan het belendende schotsje en ook konden de omstanders nu zien waar ik me bevond. Gelukkig waren er onder het publiek enkele volwassen bewoners die genaderd waren om een eind aan het ijssiepiepen te maken. Met behulp van een toegeschoten ladder slaagden die er in om me onder het ijs uit te trekken – en daar stond ik, van hoofd tot voeten doorweekt met onderkoeld water. Er naderde een dame, niet zozeer om me een warme kachel of een handdoek aan te bieden, maar goede raad. “Blijf daar niet staan jongen”, riep ze boven mijn tandengeklapper uit. “Ga naar huis en ren zo hard je kan, dan blijf je warm. Draven tot je thuis bent! Anders krijg je longontsteking en ga je dood.” Welnu, gedraafd heb ik: een stukje Heemraadssingel af, de Meineszlaan door en over het Meineszplein, totdat ik ademloos en bibberend op de huisdeur kon bonken . Wat daarna gebeurde weet ik niet duidelijk meer; maar de Heemraadssingel ben ik nooit meer vergeten.”



Na het afronden van de lagere school stapte hij over naar de Mulo in Spangen. Dit omdat zijn moeder een aantal gespreken had gehad met hun bovenbuurman, die hoofd van die Mulo was. Hij wilde het wel een maandje proberen met Marten. Van het Burgemeester Meineszplein naar de Mulo aan Grote Visserijstraat was toch al snel 20 minuten lopen. En dat deed hij drie keer per dag. De derde keer was, om onder toezicht, zij huiswerk te maken op die school. En dat zorgde voor opzienbarende prestaties. Hij kreeg al snel het advies van de bovenmeester om naar de Hogere Burgerschool te gaan
Zijn vrouw, Alfine Kornélie Dick, beter bekend als Phiny Dick, was zijn buurmeisje. Zij volgde haar opleiding aan de Middelbare Meisjesschool aan de Mecklenburglaan. Ze gingen dansen bij Meijer et Fils aan de Henegouwerlaan, een zeer bekende en nog bestaande dansschool. Maar nog niet samen, dat kwam pas een paar jaar later.

Marten, Phiny en hun beider moeders
Marten Toonder Meineszplein 7k.jpg In juni 1931, op zijn negentiende jaar mag Marten, als beloning voor het behalen van het HBS-A diploma, met zijn vader meevaren. In Buenos Aires raakt hij zo gefascineerd door het werk van Dante Quinterno’s stripstudio’s dat hij besluit tekenaar te worden.
Aan het einde van dat jaar verhuisde Phiny met haar ouders naar Soest, waar het wonen goedkoper is dan in Rotterdam. De crisis heeft het gespaarde kapitaal weggevaagd en ook de inkomsten verminderd.
Rond die tijd gaat Marten in militaire dienst. En als hij met weekeinde verlof gaat, gaat hij vaak naar Phiny in Soest. Intussen haalt Phiny haar apothekersdiploma. Er ontstaat er ruzie thuis en vertrekt Phiny naar Rotterdam om daar te gaan werken bij een apotheek. Eerst in de van der Takstraat en daarna aan de Beukelsdijk.
Maar ook bij Marten thuis ging het door de crisis moeilijker en besloot zijn vader te verhuizen naar nieuwbouw in Barendrecht, de Wilhelminastraat 8 (volgens de biografie) en het huis op het Meineszplein wordt verhuurd voor extra inkomsten. Maar dat huis in Barendrecht was nog niet helemaal af als ze intrekken. En zijn vader trad stevig op tegen de huisbaas, de buurman, om zo alle gebreken zo snel mogelijk te herstellen. Maar het werd nooit een prettig huis. Hier begon Marten met tekenen. En dat samen met zijn broer, die de verhalen schrijft. Maar gelukkig krijgt Marten's vader weer het commando over een schip en komt er weer geld binnen. Dat is voor zijn moeder aanleiding, terwijl zijn vader op zee voer, om weer terug te verhuizen naar het Meinesplein. De huidige bewoners was de huur opgezegd, hetgeen toen nog mocht. (In 1932, zover ik begrijp, krijgt zijn vader weer werk en gaat hij weer varen. In 1933 bezoekt hij Hamburg waar de Duitsers al oefenen met marscheren) In 1935 trouwt hij met Phiny.
Toen Phiny zwanger was van hun eerste kind, besloot Marten's moeder ook naar Leiden te verhuizen. Ze vond het Burgemeester Meineszplein toch al achteruit gaan, met al dat verkeer. En ze vond het te eenzaam in Rotterdam, alhoewel Jan Gerhard nog thuis woonde.

*) IJssiepiepen gebeurde op de jonge ijslaag, te dun om gewoon over te lopen of te schaatsen. Voorzichtig proberen of 'het hield' en dan een run naar de overkant, met het risico een zeikerd (water in de laars) te halen.

De meeste gegevens heb ik ontleend aan de autobiografie 1912-1939, Vroeger was de aarde plat.


Zijn geboortestad Rotterdam heeft hem geëerd met een monument dat bij de bibliotheek staat en dat ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag werd onthuld. En, misschien, komt er een Toonderhuis in Rotterdam, zijn geboortestad.

De meeste gegevens zijn ontleend aan de autobiografie 1912-1939, Vroeger was de aarde plat. De foto van het Meineszplein is hieruit overgenomen, met toestemming van De Stichting het Toonder Auteursrecht.
En uit interviews die Marten gegeven heeft. Helaas weet ik niet meer uit welk interview het verhaal van de Heemraadsingel komt.