mr. Sjoerd Vening Meinesz (1833-1909), Burgemeester van Rotterdam

Mr. S.A. Meinesz wordt tot burgemeester van Rotterdam benoemd door de regering in 1881 als opvolger van Joost van Vollenhoven, die op 17 februari 1881 was vertrokken. Dat is kort na de crisis in 1879 die in Rotterdam veroorzaakt werd door het faillissement van het havenbedrijf de Rotterdamsche Handelsvereniging. Hij is aangebleven tot 14 oktober 1891 als hij door de regering gevraagd wordt burgemeester om van Amsterdam te worden. Deze benoeming heeft hij plichtsgetrouw aanvaard.

In 1873 gaat de R.H.V. (Rotterdamsche Handelsvereniging (Rotterdamsche Handelsvereniging), opgericht door L. Pincoffs en M. Mees van het kassiershuis R. Mees & Zoonen, de havens op Feijenoord aanleggen omdat de gemeente hiervoor geen geld heeft. Zij leggen o.a. de doorsteek in de Koningshaven aan, waardoor het Noordereiland ontstaat, de binnenhaven en de spoorweghaven aan. De Handelsvereniging heeft ook moderne hydraulische kranen. Maar het economische tij zit tegen waardoor het langer duurt dan verwacht, voor het geheel rendabel wordt. Mede door financiŽle machinaties van Pincoffs om elk jaar toch goede cijfers te laten zien, gaat de Handelsvereniging failliet hij vlucht zelf naar Amerika.
Het Rotterdamse gemeentebestuur stond toen voor de vraag of men het handelsbedrijf met zijn gebouwen en bedrijfsterreinen zou overnemen. En dan het handelsbedrijf zal voortzetten met alle financiŽle risico's, of uiteen te laten vallen met alle (reputatie)schade die dat veroorzaakte.
Dat laatste zou een flinke terugval in de havenactiviteiten kunnen veroorzaken. Uiteindelijk heeft de gemeente het overgenomen en voortgezet als een gemeentelijke instelling. Eerst viel het onder Gemeentewerken. Later is het afgesplitst van Gemeentewerken als het Havenbedrijf, dat inmiddels weer verzelfstandigd is.
Vlak voor zijn benoeming als burgemeester van Rotterdam, werd in 1880 de Gťnie-officier Gerrit Johannes de Jongh aangesteld als directeur van gemeentewerken te Rotterdam. Hij was een man met een krachtige persoonlijkheid en een duidelijke eigen visie maar dat niet altijd even goed kon overbrengen. Hij kreeg later de bijnaam "Brutale Gerrit".
Dat combineerde goed met burgemeester Meinesz die goede ideeŽn over nam en deze ten opzichte van de raad goed kon verdedigen en uitvoeren.

Zelfportret Mr. S.A. Meinesz door P. de Josselin de Jong
Burgemeester Meinsez was een echte liberaal en was van mening dat de overheid terughoudend moet zijn in zijn activiteiten en het ondernemen aan de markt moet overlaten. Zo was hij ook tegen het opzetten van een gemeentelijk gasbedrijf. Maar toen de raad eenmaal in 1883 (van Weel) had besloten dat er een gemeentelijk gasbedrijf opgezet zou worden, heeft hij dit besluit loyaal uitgevoerd. De twee gasbedrijven zijn opgekocht en door Gemeentewerken sterk uitgebreid.

Burgemeester Meinesz droeg zijn ambt met waardigheid en discipline. Als man van rechtvaardigheid en karakter, voelde hij zich verplicht het gezag dat zijn ambt met zich meebracht hoog te houden. Let wel, overal en ten allen tijde. Zo rookte hij nimmer in het openbaar terwijl hij in zijn privť-leven toch menigmaal een sigaar opstak. Door de indruk te wekken ongenaakbaar te zijn, heeft die houding er wellicht toe bijgedragen dat Meinesz als burgemeester nooit populair is geworden, maar aarentegen wel als geŽerbiedigd burgemeester werd geŽerd. Dat laatste mag de reden zijn geweest, dat Rotterdam, een stad die de herinnering aan zijn burgemeesters nooit in straatnamen heeft vastgelegd, er al een jaar na zijn dood toe overging een belangrijke stadsas, een plein en een straat naar Sjoerd Meinesz te vernoemen.

En dat ging met volle instemming, sans rancune dat Meinesz in 1891 zijn stadshoofdschap van Rotterdam inwisselde voor dat van Amsterdam. Hij heeft het tenslotte eerlijk verdeeld: tien jaar burgemeester van Rotterdam en tien jaar burgemeester van Amsterdam.
Een carriereverloop dat tegenwoordig ondenkbaar is.
Op 29 december 1884 werd hij ook weer opnieuw lid van de eerste kamer voor de provincie Zuid-Holland. Hij was toen nog burgemeester van Rotterdam. Er werd toen gekozen volgens het districtenstelsel. Deze bestuurlijke taak, als lid van de eerste kamer, zou hij tot aan zijn dood in 1909 volhouden. Overigens vanaf september 1904 als eerste kamerlid voor de provincie Noord-Holland. Hij was dan immers woonachtig in Amsterdam.

Tijdens zijn burgermeesterschap werd de gemeente Delfshaven uiteindelijk dan toch geannexeerd door de gemeente Rotterdam. Dat gebeurde op 1 januari 1886, maar de eerste samenvoegingspannen waren er al in 1841. Het is zeker een van de belangrijkste gebeurtenissen tijdens zijn ambtsperiode. Het was pas daarna mogelijk om de uitbreiding van Rotterdam aan de noordzijde ter hand te nemen.
Bij zijn afscheid als burgemeester van Rotterdam kreeg hij een zelfportret aangeboden, geschilderd door P. De Josselin de Jong van zijn vrienden uit Rotterdam. Hij is opgevolgd door burgemeester Pieter Lycklama a Nyeholt, ook weer uit Friesland.
Burgemeester Lycklama a Nyeholt is maar 3 jaar burgemeester gebleven.