De ontwikeling van elektriciteit tijdens de bouwperiode 1910 - 1920


Tijdens de bouwen in de straat van de huizen, maakte het elektrische net in Rotterdam een snelle ontwikkeling door. Dit mede door de haven.

Electriciteit in Rotterdam.

In 1878 werd de eerste booglamp geïnstalleerd in de tuin van hotel Leygraaff aan het Westplein, gekoppeld aan een eigen dynamo. Daarna begon de gemeente ermee te experimenteren.
In 1883 stichtte den NEM de eerste Nederlandse elektriciteitscentrale op de Baan, bij de Westersingel. De centrale bestond uit 3 stoommachines van elk 20 pk. Deze waren geleverd door Edison-fabriek uit de Verenigde Staten. Hiermee werden enkele winkels en een Grand café in de Passage verlicht. Deze verlichting gebeurde, met de veel efficiëntere, minder felle en goedkopere gloeilampen. Met name het Grand Cafe du Passage aan de Coolvest, waar 172 gloeilampen hingen, trok veel belangstelling. Dit heeft overigens nog geen jaar geduurd, waarna het bedrijf ermee stopte bij gebrek aan voldoende afzet en hoge (gemeentelijke) kosten. Daarna heeft vanaf 1884 tot 1885 de NV Elektriciteitsmaatschappij Systeem ‘de Khotinsky’ het geprobeerd. Maar er bleven alleen nog een paar huisinstallaties over, zoals die van Grand Hotel Cooimans, waarbij de directe buren soms ook meededen.
Pas in 1886 zijn er op andere plaatsen groter centrales gebouwd. Pas in 1889 een centrale in Den Haag en in 1892 in Amsterdam. Een particuliere elektrische installatie uit 1889, geïnstalleerd door het installatiebedrijf Van Rietschoten en Houwens te Rotterdam. Er kwamen nog nieuwe initiatieven, maar die werden door gemeentewerken gedwarsboomd en vooral de directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh, omdat de gemeente plannen had om naast gas ook elektriciteit in eigen beheer te gaan opwekken. Er werden door de gemeente wel iedere keer nieuwe plannen gemaakt, maar ze bleven zonder resultaat, ook omdat G.J. de Jongh niet zo geïnteresseerd was in het elektrisch lampjes voor de Academie en de rest van de binnenstad.
Maar burgemeester Meinesz verzekerde de raad dat de levering van elektriciteit door de gemeente in “zeer ernstige studie” was. Maar verder gebeurde er niets.
Tot in november 1890, toen De Jonghs, als de directeur van gemeentewerken, een onderzoek deed naar het gebruik hydraulische kranen in Duitsland en of deze goed te gebruiken waren in de Rotterdamse haven. Zijn aandacht werd getrokken door een elektrische tram. Tevens werd hij geattendeerd op het feit dat Hamburg van plan was alle havenkranen op elektriciteit te laten werken. Het nadeel van hydraulische, met waterdruk werkende, kranen is dat tijdens vorst niet gewerkt kan worden en er dan gemakkelijk vorstschade ontstaat aan de kranen en leidingen. Toen stond elektriciteit weer boven aan de prioriteitenlijst. En het werd meer dan alleen de verlichting van de stad.

Start gemeentelijke elektriciteitsbedrijf

In juni 1891 werden offertes opgevraagd bij verschillende bedrijven. En in juni 1893 werd in de raad het besluit genomen, ondanks de vele twijfel die bestond over de keuze voor een gelijkstroominstallatie, voor de bouw van de centrale op het terrein van de gemeentelijke gasfabriek aan de Oostzeedijk. Eind 1894 begon de levering van de gemeentelijke elektriciteit vanaf de nieuwe elektriciteitsfabriek, eerst naar zuid, de haven en begin 1895 voor de rest van Rotterdam. Na Nijmegen de tweede stad met een eigen elektriciteitsbedrijf. De elektriciteit werd opgewekt met gelijkstroomdynamo’s, gebouwd door de Duitse firma Siemens. De elektriciteit ging via het hulpstation op de Wilhelminakade, vanwaar het over de haven werd verspreid. De elektriciteit werd in de haven vooral gebruikt voor de aandrijving van kranen en lieren en elektrische verlichting. De verlichting was nodig om langer door te kunnen werken. Doordat er gelijkstroom werd gebruikt, was het mogelijk om met behulp van accu’s verbruikspieken op te vangen en de afstanden tot de elektriciteitscentrale te vergroten. Gelijkstroom kan immers niet getransformeerd worden tot hoogspanning voor efficiënter transport. Er werd gekozen voor een 5 dradenstelsel zodat voor de kranen 440 v gelijkstroom beschikbaar was en voor de verlichting 110 volt gelijkstroom. De elektriciteit voor het verlichten van de binnenstad kwam vanuit een hulpstation aan de Westersingel.

De centrale aan de Schiehaven

Vanaf 1906 werd het net drastisch uitgebreid met de in gebruikneming van een nieuwe centrale aan de Schiehaven. Deze leverde in het begin ook gelijkstroom, ook voor de tram. Maar vanaf 1907 wordt er overgeschakeld op 220 volt wisselstroom en werd de 110 volt gelijkstroom uitgefaseerd. Maar voor de binnenstad heeft dit nog tot 1940 geduurd, voordat hier de gelijkstroom verdwenen was.
Met de omschakeling naar de 220 wisselstroom begon de definitieve opmars van de elektriciteit in de stad. En dus ook naar de Burgemeester Meineszlaan!

Schiecentrale 1930, in een der ketelhuizen. Er zijn in de Burgermeester Meineszlaan nog een groot aantal huizen die oorspronkelijk nog voorzien waren van gasverlichting. Dat is vooral het geval aan de even zijde van de straat, waar de oudste huizen staan, die gebouwd zijn tussen 1910 en 1914. Je ziet soms daar nog een gaspijp uit het plafond steken of in de muur nog kranen. Tussen 1910 en 1920 is de omslag gekomen, waarbij het voor iedereen duidelijk werd dat elektriciteit de voeding voor de verlichting ging worden. Ook voor andere doeleinden kon elektriciteit gebruikt worden, zoals de aandrijving van machines en voor verwarming. Elektriciteit heeft immers veel voordelen boven gasverlichting, maar het was in het begin erg duur. In 1894 werd door de gemeenteraad het tarief voor particuliere verlichting op fl. 0,40 per kWh, de krachtstroom voor particulieren op fl 0,25 per kWh vastgesteld. Voor de havenkranen werd het op fl. 0,15 per kWh vastgesteld door de gemeenteraad. Het gas koste in 1894 rond de fl. 0,07 per m3. Nu is het tarief bij Eneco voor elektriciteit tussen de € 0,05 en de € 0,07 per kWh voor particulieren! De huishoudelijke apparaten, zoals stofzuigers en elektrische strijkijzers raakten pas in de jaren 20 van de vorige eeuw echt in gebruikt. Dit overigens maar bij een kleine groep mensen die het zich konden veroorloven. Het enige apparaat dat een grotere verspreiding kende, was de radio. De huizen, die in de straat na 1917 zijn gebouwd, zijn vrijwel allemaal direct voorzien van elektrische net voor de verlichting. Het heeft nog tot na de oorlog geduurd voor de stopcontacten in huis echt gebruikt werden. En vanaf de jaren ‘70 kwamen we regelmatig stopcontacten te kort voor het aansluiten van apparaten en schemerlampen in vele soorten en maten.